Het Schilderij 

Op de zolder van mijn moeder staat een schilderij. Niet het beste werk van mijn vader maar wel één met een mooi verhaal. Hij schilderde een vrouw. Van middelbare leeftijd. Haar zwarte haar opgestoken in een knoet. Achter de grote bril de ogen gesloten. Over de rode blouse een zwart vestje zonder mouwen. Een grote pleister op haar mond. De vrouw is mijn moeder. We vinden het kunstwerk als we na het overlijden van mijn vader de zolder opruimen. Op dat doek komen hun talenten samen. Een paar weken later, op een donkere zondag ben ik bij haar en vraag naar het achterliggende verhaal.

‘We speelden bij vrouwenverenigingen.’ Haar ogen naar boven, zoekend naar herinneringen aan de tijd dat ze samen met een groep vrouwen toneelspeelde.
‘We kwamen overal, zelfs in Groningen.’ Wat nu dichtbij lijkt was toen ver weg.  
‘De attributen die we nodig hadden namen we mee in de auto.’ Die van anderen want nooit leerde mijn moeder rijden.
‘We speelden een stuk over een rusthuis. Ik ben vergeten hoe het heette.’ En in dat stuk gebruikten ze het schilderij.


‘Wat zou het leuk zijn als ik nog wist hoe het ging. Had ik de spullen er nog maar van.’ Ik hoor het tikken van de klok die boven de bank hangt. Haar ogen naar binnen gekeerd. In haar hoofd een film van toen.
‘Ik kan niet zo goed meer onthouden.’ Onzeker kijkt ze me aan.
‘Misschien wel 30 jaar geleden hè!’ Herinneringen, verstopt tussen vele andere. Een lang leven. Met dat vergeten van mijn moeder valt het reuze mee.
‘Joke, een van de medespelers, maakte een portret van mij.’ De lange nagels van mijn moeder schuren over het bruine leer op de armleuningen.
‘Ik woonde in het rusthuis. Een te grote mond.’ We lachen. Een rol die bij haar past. ‘Ze plakten er een grote pleister op.’ Ik was toen een tiener. Ik voel weer de zweem van opwinding en het plezier die hing rond die bijzondere activiteit van mijn moeder. Niet vanzelfsprekend voor haar generatie, denk ik. Emancipatie.
‘Ik had nog nooit toneel gespeeld.’ Ze rekt de woorden lang. Alsof ze niet kan geloven dat ze in zoiets leuks belandde.
‘Bettie vroeg of ik bij de toneelgroep wilde, ze hadden iemand nodig.’ Zo kan het lopen.
‘We hadden een echte regisseur.’ Een collega van mijn vader bij de PTT.
‘Ik moest voorspelen. Het was gelijk goed.’ Ze stopt even. Ik hoop dat ze voelt hoe fijn dat was.
‘Gelijk een hoofdrol.’ Hebben we haar daar ooit om geprezen, vraag ik me af.
‘Ik zie het boekje met teksten nog zo voor me.’ Alles moest uit het hoofd.

‘Hoe zat dat nou Ma, met dat schilderij?’ Ze schudt met haar hoofd.
‘O ja.’ Een inkijkje zou ik willen in de oude beelden die bij haar boven komen.
‘Op het podium zat Joke zogenaamd te schilderen. Ik poseerde, de pleister op mijn mond.’ Heel precies door mijn vader vastgelegd. Witte rondjes, gaatjes om te ventileren. Ouderwets verband. Op de ezel van Joke stond het schilderij dat mijn vader thuis al had gemaakt. Precies zoals mijn moeder daar op dat podium zat.
‘Ooooh ze liekt er oek nog op.’ De uitroep van de mensen in de zaal als Joke het schilderij naar hen toe draaide. Ze moet lachen, mijn oude moeder. Ik zie dat ze even terug is in een hele mooie tijd.
‘Andere gezelschappen speelden het stuk ook.’ Mijn vader schilderde dan ook voor hen.

‘We speelden ook eens een ander stuk.’ Mijn moeder is nu op dreef.
‘Wij kwamen als patiënten op. Ik liep met een stok, strompelde. Het publiek dubbel van het lachen.’ Ze legt haar hoofd tegen de rugleuning, lijkt jonger nu.
‘We speelden eens in de Salvatorkerk. Feikje, was madam de Pompadour.’ Vroeger hoorde ik ze vaak die namen, de metgezellen van mijn moeder.‘Die was altijd rimpen,’ gaat ze verder. In het stuk ging ze zitten op een divan, een opgedoft veldbed, heel onhandig op het voeteneind. Het kiepte.
‘We hebben veel beleefd.’ De stem van mijn moeder zakt, keert naar binnen.
‘Je wete soms niet wat je kenne.’ Reflectie op de reis die ze door haar herinneringen en haar leven maakte.
‘Als ik niet gevraagd was, dan had ik nooit geweten dat ik kon acteren. Ik was er wel goed in. Ik had er wel mee door kunnen gaan.’ Waarom ze dat niet deed? Ik vroeg het niet.
‘Ma had wel beroemd kenne wurde,’ zeg ik. Ze kijkt me aan, denkt na.
‘Nou daar mut je oek voorzichtig met weze.’