‘Wil een situatie op het werk bespreken, graag afspraak.’ Een memo van de telefoniste. Mailadres, telefoonnummer en organisatie genoteerd. Nieuwe melder, ik noem haar hier Nel.
Na veel geschommel zie ik de vrouw, eind vijftig schat ik, op het grote scherm van mijn computer. Het haar alsof ze net van de kapper komt. In mijn neus prikt de geur van haarlak, vlaag van een herinnering. Haar ogen stralen als ik vraag wat voor werk ze doet in het verzorgingshuis. Ze vertelt over de werkzaamheden, voorraden aanvullen, wassen draaien, dierbare bewoners. Als ze aanbeland is bij de reden van haar contact met mij, is er van haar sprankeling niet veel meer over.
‘Ik schrok me rot,’ roept ze. Mijn hand gaat over het ruwe hout van het bureau waar ik aan sta. ‘Ze ging helemaal uit haar dak.’ Soms is ‘uit het dak gaan’ slechts een beleving.
‘Hoe ging dat dan?’ Door de oranje lamellen die voor de grote ramen van mijn kantoor hangen, zie ik aan de overkant van het water het grauwe kantoorgebouw dat ontmanteld wordt. Nieuwe appartementen, een groot penthouse.
‘Haar ogen schoten vuur. Ze deed een stap achteruit, stap op zij. Ze greep om zich heen om de laptop te pakken en riep: ik trek het niet meer.’ In mijn computer zie ik de armen van Nel maaien, haar hand maakt een grijpbeweging. Zelden krijg ik een verhaal zo beeldend voorgeschoteld.
‘Een ziek kind, ik kan toch ook niet alles tegelijk, ben al bij een psycholoog.’ Nel roept wat de teamleider riep. Als lava uit een vulkaan. Ik voel mededogen met de vrouw die toch een voorbeeld zou moeten zijn voor de mensen die ze aanstuurt. Ik noem haar hier Victoria. Te veel op het leidinggevende bordje, schat ik in.
‘Ze schreeuwde. De receptioniste, die een stuk verderop zit, heeft het gehoord.’ Nog meer mededogen voel ik voor Nel, die onder al die woorden bedolven werd.

Lees verder →