‘Blijf jij wel?’ De stem van Mark klinkt onvast. Hij is teamleider in de organisatie waar ik vertrouwenspersoon ben. Ik noem hem hier Mark. In de ruimte die ik speciaal voor ons gesprek huurde hangt de geur van oude meubels en niet goed schoongemaakte vloerbedekking. Ik doe het grote raam open. Vierhoog, niemand die ons ziet, uitzicht op de spoorbaan. We zitten elk aan een kant van de grote vergadertafel met diepe krassen in het donkere hout.
‘Jouw goeie naam…nogal schadelijk allemaal,’ zegt hij. In mijn hoofd check ik voor de zoveelste keer: klopt het nog wel dat ik voor deze organisatie werk? Het is een ongekende puinhoop. Wat ik er allemaal meemaak, ik zou er een boek over kunnen schrijven. Een dik boek, dat wel, maar vast niet leuk om te lezen. Er zijn geen routes in de organisatie ingericht om penibele kwesties met medewerkers op te lossen. De directie kijkt weg, de raad van toezicht vindt het niet hun verantwoordelijkheid. Niemand die iets doet. Raar als ik op zou stappen. Dit is mijn werk, hier ben ik voor.
‘Hoe is het?’ zeg ik. Het antwoord lees ik af aan de groeven bij zijn mond die dieper zijn geworden, aan de wallen onder zijn ogen, die donkerder zijn dan de vorige keer toen ik hem sprak. De situatie waarin hij zich bevindt het hoofd bieden? Dat zou niemand kunnen. Zijn verhaal gaat ongeveer als volgt:
Sinds een jaar heeft Mark een nieuwe collega. Haar noem ik Ageeth, zij is leidinggevende van een ander team. Hij vangt al maanden signalen op van medewerkers over haar intimiderende stijl van leidinggeven. Ze houdt zich niet aan regels, ontslaat mensen en gebruikt woorden die niemand in de mond durft te nemen. Ook bij mij is het aantal meldingen uit haar team opvallend. Maar bij wie ik ook signalen daarover afgeef, het gedrag van deze vrouw lijkt slechts het probleem van haar slachtoffers. Daarvan is Mark er één.
Ageeth heeft een medewerker in haar team, laat ik hem Omar noemen. Een man van kleur. Zonder uitleg heeft Ageeth taken van hem afgenomen. Hij heeft nauwelijks nog verantwoordelijkheden. Hij voelt het als een degradatie. Op een dag zet ze hem in een klein kantoortje.
‘Zitten!’ Als een boze juf staat ze voor hem. ‘Nadenken jij…,’ schreeuwt ze in zijn oor. Haar hoofd heel dicht bij dat van hem. ‘…je weet best wat je fout deed.’ Drie kantoren verderop hebben ze het gehoord. Ook de klap waarmee ze de deur van de kleine ruimte dichtgegooide, was de collega’s niet ontgaan. Na ruim een uur sluipt Omar, met bonzend hart, terug naar de afdeling. Niemand durft naar hem te kijken, niemand die iets zegt of doet. Ageeth komt er nooit meer op terug, alsof het volkomen normaal was wat ze deed. Het is slechts één van de dingen die Omar mee moest maken.
Mark kent Omar al jaren; een fijne man, goed in zijn werk. Meer dan eens loopt Omar het kantoortje van Mark binnen, wanhopig en gebukt onder de bejegening door zijn teamleider.‘Echt, heel voorzichtig…’ zegt Mark tegen mij. Hij was in een gesprek met Ageeth, in de bres gesprongen voor de man die structureel door haar werd vernederd. ‘..heb ik iets erover gezegd.’ Wat moest hij. Hij kon het toch allemaal niet gewoon laten gebeuren?
Sinds die dag zit Mark in een achtbaan waar hij niet meer uit kan. Ageeth slingert samen met de HR-manager de rollercoaster aan tot grote hoogte. Vanaf dat moment gaat het plotseling over zijn functioneren, over alles wat hij fout doet, over wat er mis is met hem en over wat iedereen zogenaamd over hem zegt. Het ene slopende gesprek na het andere. De hoogste directeur kijkt vanaf een afstandje toe. Hij doet niks. De giftige pijlen van Ageeth hebben eerder een directeur de kop gekost.
Het ging niet zonder slag of stoot, maar Mark moest weg. Een duur loopbaantraject, dat wel. Afkopen van schuldgevoel. Hij begon een nieuwe carrière. Een mooie kans. Toch, als ik een post van hem voorbij zie komen op LinkedIn, voel ik, zoveel jaren later, weer de pijn in mijn borst. Dat niemand deze man te hulp kwam.
‘Zo erg dat hij weg is,’ zeiden andere melders, medewerkers die bleven. Ik hoorde het nog toen hij al lang was vertrokken. Tot de laatste dag stond hij voor zijn medewerkers klaar. Hij droeg zijn werk zorgvuldig over. Geen onvertogen woord tegen de externen waar hij afscheid van nam. Fier rechtop, geheven hoofd. Onmogelijk om Ageeth het hoofd te bieden. Hoe dat was, ervaarde ik zelf een tijdje later.
Lees het vervolg:
