‘Ik voel me niet echt welkom.’ De woorden zijn eruit voor ik er erg in heb. Harde stem. De karren met planten die altijd buiten naast de ingang staan, bevinden zich nu op de mat voor de automatische deur waardoor ik net naar binnen ging. Lekker handig! Ik moest er omheen lopen om een boodschappenkarretje te pakken. De mobiel die ik uit mijn jaszak haal licht op. Nog niet eens kwart voor zes.

‘O, we zijn alleen maar aan het opruimen hoor.’ De werknemer van de natuurvoedingswinkel kijkt op. Haar stem klinkt zoet. Het kost me moeite te horen wat ze zegt. Het lied dat ik net nog in mijn hoofd had omdat ik het als laatste zong op mijn wekelijkse zangles, is verstomd.
Met een bons zet het zoetgevooisde typje de groentekratten op de kar. Ik hoor het gekraak van de wielen als ze die over de stenen vloer naar het magazijn rijdt.
Snapt die vrouw het niet? Lekker klantvriendelijk. Wat nou als ik die groente had willen kopen? Een zoete lucht dringt zich op in mijn neus als ik langs de broodafdeling naar de koeling loop. Ik voel de kou op mijn gezicht als ik die open, zoek verkoeling voor mijn verhitte gedachten. Toen ik vorige week mijn boodschappen hier deed moest ik ook al over de stofzuiger stappen. Half zes was het! Ik ga voortaan wel ergens anders naar toe! De grote deur waarachter net het pak melk nog stond dat ik greep, valt met een plofje dicht.
Ik denk aan de vorige eigenaar van deze zaak. Zoek geruststelling bij de herinnering aan haar. De vriendelijke stem. Toen we allemaal binnenbleven in de coronatijd, liep ik elke dag even binnen voor een boodschapje en een praatje. Ze kende mijn naam, groette als ik binnenkwam. Nooit zag ik haar personeel schoonmaken of opruimen. Haar kon ik overal op aanspreken, niet dat dat ooit nodig was. Ik schud mijn bovenlichaam. Als een hond in de regen. Ik vraag mij af waar mijn chagrijn begon. Ik doe graag mijn boodschappen hier. De producten, de rust. Een buurtwinkel waarvan ik het belangrijk vind dat die blijft.
Ik zet mijn gezicht op neutraal. Mijn aandacht verplaats ik naar mijn lichaam, naar binnen, op hoogte van mijn hart. Ik hoor hoe mijn voeten een kalm ritme maken op de betonnen vloer. Mijn vingers beroeren even kort de vrolijk gekleurde bloemen van stof, uitgesteld op de grote tafel in het midden van de winkel. Toch eens een paar van kopen, denk ik.
De linksdraaiende opruimfluisteraar heeft plaatsgenomen achter de kassa. Haar vermijden kan ik niet. Ik sluit aan achter de twee mensen die al in de rij staan om af te rekenen. De paar producten die ik nodig heb, glijden over de band naar haar toe. Het ongemak verschuilt zich achter de permanente glimlach op haar gezicht. Aan mij zal het niet liggen. Ze kijkt op als ze die een voor een scant, haalt adem en wacht dan even.
‘Wat vervelend dat uw beleving niet was wat u ervan verwachtte.’ Haar woorden dringen maar moeilijk tot me door, ik weet niet wat te zeggen. Ik schuifel door tot het pinapparaat. De teleurstelling verspreidt zich in mijn borst, als lava over het land. Mijn handen voelen leeg.
Dan vind ik het allerliefste stemgeluid dat in me huist. Verpak daarmee de woorden waarmee ik haar toch even wil raken, mijn ongenoegen wil uiten.
‘Wat een mooie zin,’ zeg ik en kijk haar aan.
Buiten bij de fiets stroomt de lucht weer vrij en fris mijn longen in. Stoer wil ik het van me af laten glijden, het ongemakkelijke contact. Thuisgekomen is er nog steeds een lichtgrijze schaduw die in me hangt. Die verdwijnt pas als het me lukt de redelijkheid van het licht in mij erop te laten schijnen. Deze vrouw en ik. Beide niet in staat om elkaar de winkelbeleving te geven die we na een lange werkdag nodig hadden.
