De bouwcommissie en de CEO (2)

Straks het raam maar even open, denk ik. De geur van parfum en sigaretten. De vier mensen die aan de grote tafel in mijn kantoor zijn gaan zitten, kijken ernstig.
‘Pak vooral koffie en thee.’ Ik wijs naar de kannen die midden op tafel staan.
‘Een lang verhaal…’ De lange blonde haren van de jonge vrouw die links van me zit, glijden van haar schouders. De blik laat ze vragend langs haar collega’s gaan.
‘…weten niet goed…het beste is.’ Een van de twee mannen heeft zijn armen over elkaar geslagen, voor hem op de tafel. Zijn blauwe colbert heeft hij losgeknoopt. Op het puntje van zijn stoel. Ze hebben een lange aanloop nodig, zeggen ze. Ik ben het gewend.

‘Belangrijk dat je het snapt.’ De bordeauxrode pen met daarop mijn bedrijfsnaam heb ik in de aanslag. Schrijven, zodat ik niets vergeet. Ze werken op verschillende afdelingen van een snelgroeiend bedrijf. Een jaar geleden kwam de vraag: plaatsnemen in de bouwcommissie. Een nieuw magazijn. De ideale opslagplaats ontwerpen. Leuke opdracht. Ze hadden elkaar al snel gevonden. Veel overwerk maar dat vonden ze niet erg. Totdat ze merkten dat er niks gedaan werd met hun goed doordachte ideeën. Geen uitnodigingen voor cruciale overleggen, geheime agenda’s, kleinerende opmerkingen van de voorzitter. Ze spreken mensen aan, komen op voor zichzelf en voor elkaar maar kunnen niet voorkomen dat de onderlinge verhoudingen steeds slechter worden. Als ze nauwelijks nog energie en tijd over hebben voor hun dagelijkse werk, hangen ze de opdracht waar ze zo enthousiast aan waren begonnen, aan de wilgen.

‘Lieten ze jullie zomaar gaan?’ Ik kijk op van mijn schrijfblok, mijn blik langs de mensen die bij mij hun zegje zo goed kunnen doen.
‘Onze leidinggevenden waren blij.’ Weer volledig beschikbaar voor het eigen team. Alleen de ondernemingsraad, die stelde kritische vragen aan de bestuurder. Een uitnodiging van de CEO die ze al vier jaar kennen, volgt. Om van te leren voor de toekomst, staat in de uitnodiging. Een goede zaak, dachten de mensen in mijn kantoor. Ze mailen haar vijf kort en helder geformuleerde aanbevelingen voor toekomstige commissies.
’…echt een goed stuk.’ Al zeggen ze het zelf. Ze lachen kort.

‘…eindelijk waarvoor we hier zijn.’ De oudste van de twee mannen kijkt me vriendelijk aan. Zijn armen op de leuningen van de cognackleurige leren stoel.
‘We hadden maar vijfenveertig minuten.’ Hij slaakt een zucht en buigt voorover. Zijn handen pakken het koffiekopje, hij draait het rond.
‘Ze kwam vijftien minuten te laat…’ Hij keert zijn hoofd naar mij, zodat ik zijn omhoog gedraaide ogen zie.
‘Vroeg toen wat we van haar speech vonden.’ ‘s Morgens was er een bedrijfsbijeenkomst geweest, daar had ze gesproken.
‘Daar ging ze maar over door.’ Ik kijk naar rechts. De medewerker die ik nog nauwelijks heb gehoord, klinkt verontwaardigd.
‘Ik wilde zó graag ons verhaal doen.’ Ze slikt. Ze had de stroom woorden van hun hoogste baas gestopt. Haar eraan herinnerd waarvoor ze kwamen.
‘Toen werd ze héél boos…’ Ze laat haar hoofd hangen. Ongehoord, vond de bestuurder. Nog nooit zo onbeschoft behandeld. Stemverheffing en beschuldigingen aan het adres van degene die gedurfd had haar monoloog te onderbreken. Een gesprek was het daarna natuurlijk niet meer geworden. Vanaf dat moment was het ‘probleem met de bouwcommissie’ veranderd in ‘onheus bejegend worden door de bestuurder.’

‘Wat willen jullie van mij?’ Ik ben gestopt met schrijven. Rust willen ze, verder met hun werk en met hun leven.
‘We voelden ons best geïntimideerd’. Ik draai mijn hoofd naar links. Door haar opvallende benen bril kijkt de medewerker me aan, alsof ze wil checken of ik haar woorden niet overdreven vindt.
‘Dat mogen we toch laten weten?’ In mijn kantoor, waar ik het raam ondertussen toch open heb gedaan, vragen ze zich met elkaar af of ze nog een brief gaan sturen. Voor- en nadelen wegen ze af. Ik stel vragen, doe suggesties.
‘…is ook écht het laatste…’ Met die woorden geeft een van de mannen een klap op hun besluit. Hij leunt achterover, knoopt met een onbewust gebaar zijn jasje dicht.
‘Mogen we die brief dan eerst nog naar jou sturen?’ Alle vier kijken ze me aan.

Uiteindelijk richten ze de zo zorgvuldig gekozen woorden aan de bestuurder. Raad van Toezicht in cc. Wat volgt is een ontvangstbevestiging van de secretaresse. Daarna blijft het stil.
‘We hebben er nu alles aan gedaan,’ laten de medewerkers me weten. Ze vinden de vrouw die zich niet zo professioneel gedroeg verder een goeie bestuurder. Dit is kennelijk de prijs die ze daarvoor moeten betalen. Ze halen hun schouders op.

Ik had deze slimme mensen iets anders gegund. Hoe moeilijk kan het zijn?
‘Jongens, sorry dat ik intimiderend op jullie over kwam’, hadden de woorden van de bestuurder kunnen zijn.
‘Goed dat jullie het benoemen’, had ze nog kunnen zeggen. En dan…dan zou het eindelijk kunnen gaan waar het om was begonnen: dat wat er misging met de bouwcommissie. Opdat het in de toekomst allemaal beter gaat.

Het artikel dat hier bij hoort ‘De CEO en de bouwcommisie’. Het gaat hieraan vooraf.

Deze tekst is gebaseerd op ervaringen van mijn werk als vertrouwenspersoon. Gebeurtenissen zijn onherleidbaar beschreven, namen zijn verzonnen.  Elke overeenkomst met een organisatie, plaats of persoon berust op toeval of schrijf ik toe aan het feit dat beschreven gebeurtenissen veelvuldig voorkomen.