De CEO en de bouwcommissie (1)

Net liep ze nog op de begane grond van het grote concern dat ze bestuurt. Haar rug recht, de ogen strak gericht in de looprichting. Links en rechts van haar twee mensen. De grootte van hun passen afgestemd op die van haar. Een van hen heeft een schrijfblokje in de aanslag, niets van wat zij zegt mag verloren gaan. Ze stappen de lift in. Simultaan.

Als ik een paar minuten later naar haar kantoor loop, op de eerste verdieping, staat ze naast de deur. Op de bollen van haar voet draait ze zich om als ze me ziet en beent naar binnen. Op haar rug zie ik de chique knoopjes van het blauwe jasje dat ze draagt. Ik volg de vrouw van middelbare leeftijd, hoop dat dat de bedoeling is. De zolen van mijn sneakers bewegen zich stroef over het lichtgrijze tapijt.

‘Als je goed je werk gedaan had…,’ zegt ze terwijl ik me op een van de stoelen laat zakken. Buiten, boven de vijver, hangen donkere dreigende wolken.
‘…je had bij me moeten komen.’ Haar rug fier in de comfortabele stoel. Haar stem scherp, direct, alsof ik een bevel heb genegeerd.
‘Mijn kant van het verhaal…,’ gaat ze verder. Ik moet schakelen. Dacht dat we het jaarverslag zouden bespreken.
‘…wat zij zeggen…niet waar.’ Een priemende blik. Alsof ze haar waarheid in me wil planten.
‘Ík ben geïntimideerd.’ De wijsvinger van haar linkerhand tikt meerdere keren hoorbaar op haar borst.

In mijn hoofd heb ik een dringende zoekopdracht gestart. Het duurt even. Dan herinner ik me de vier medewerkers die ruim een jaar eerder aan mijn tafel zaten. De bouwcommissie van haar bedrijf. Een van hen had het gewaagd haar te onderbreken in een lang betoog dat zij hield. Intimiderend, zo hadden de medewerkers haar reactie daarop ervaren en zij meldden zich bij mij. Ik weet nog hoe ik dat gebeuren in de jaarrapportage had gezet. Ik had er mee geworsteld. ‘Intimidatie in de relatie met de bestuurder’, ik vond het te herleidbaar. Dus had ik dat omzeild. ‘Grensoverschrijdend gedrag in de hiërarchische lijn’, had ik het genoemd. Hoe wist zij van deze meldingen?

‘Wij zijn vogelvrij!’ De stem van de CEO, nu nog luider. Drama. Vanuit alle delen van mijn lichaam stroomt energie naar mijn hoofd. Op de luxe stoel waarop ik zit, voel ik mijn wangen rood worden. De rose met blauwe sjaal die zo mooi bij het lichtblauwe shirt past dat ik draag, trek ik los. ‘Vogelvrij’. ‘Je mag ook niks meer zeggen’. Hoe vaak had ik zulke uitspraken al gehoord? Dergelijke zinnetjes, ze vegen dat waar het werkelijk om gaat van tafel.

Veel hooggeplaatsten zijn angstig in deze tijd waar alles wat maar even over een grens gaat, gelijk publiek wordt. Daarover wil ik graag met haar praten
‘Ik begrijp best…niet makkelijk…’, probeer ik. Een subtiel gebaar met haar hand. Het heeft op mij hetzelfde effect als de hoog opgeheven hand van een verkeersregelaar. Op deze manier kan zij haar kant van het gebeuren uiteen zetten. Wat moet ik hiermee, vraag ik me af terwijl zij praat. Ik heb immers al melders van deze situatie. Er ligt al een beschuldiging van intimidatie. Niet ván haar, maar dóór haar.
‘Jouw beroepsgroep moet zich maar eens goed beraden.’ Ze kijkt me strak aan. Ik had zeker twee kanten van het verhaal moeten horen en dan haar versie als waar aannemen? Ik wil uitleggen wat een vertrouwenspersoon doet.
‘…oprecht…ingewikkeld voor mensen op uw positie.’ Ik hoor het zelf. Ik ben ‘u’ gaan zeggen.

‘Toch goed, dit gesprek.’ Ze drukt zich op aan de leuningen van haar stoel. Verschrikt kijk ik om me heen. Ik ben nog helemaal niet klaar.
‘…goed uitgesproken.’ Ze zegt het terwijl ze naar de deur loopt. Voor ik het weet loop ik weer door de lange smalle gangen. Zoek met mijn voeten houvast op de gladde ondergrond. Pas buiten vinden mijn sneakers weer wat stevigheid. Ik ruik de rododendron die bijna is uitgebloeid. Mijn gezicht keer ik naar de zon, die voorzichtig schijnt.

‘Pfff, ging bijna mis’, denk ik. Ik heb mazzel dat ze de samenwerking niet heeft opgezegd. Ik voel opluchting, het idee dat ze mij net een gunst heeft bewezen.
Dan hoor ik in mij een krachtig stemmetje. ‘Hoezo, mazzel?’ Het schudt me wakker. Nog voor ik bij mijn auto ben, tik ik met de wijsvinger van mijn rechterhand hard op mijn borst, zoals de machtige bestuurder, die ik net ontmoette, ook had gedaan.
‘Ík bewijs háár een gunst!’ In mijn auto spreek ik de woorden een paar keer hardop uit.
‘Zíj́ heeft mazzel’, laat ik er op volgen. Dat ik nog hun vertrouwenspersoon ben. In mijn borst voel ik ruimte. De komende dagen nog maar een paar keer herhalen, denk ik. Ik start de motor en strek mijn rug.

Het artikel dat hier bij hoort: De bouwcommissie en de CEO. Het volgt hierna.

Deze tekst is gebaseerd op ervaringen van mijn werk als vertrouwenspersoon. Gebeurtenissen zijn onherleidbaar beschreven, namen zijn verzonnen.  Elke overeenkomst met een organisatie, plaats of persoon berust op toeval of schrijf ik toe aan het feit dat beschreven gebeurtenissen veelvuldig voorkomen.