‘Ik zie het niet meer zitten.’ In de display van mijn telefoon zag ik de naam van Omar. Dus parkeerde ik mijn auto, aan het kanaal, op een industrieterrein. Een stop, aan het eind van de middag, onderweg naar huis. ‘Alles…,’ zegt hij. Ik hoor hem zachtjes snikken. ‘Alles is er weer.’ Zijn stem had ik vaak gehoord maar dat was meer dan twee jaar geleden. Toen werd hij gepest door zijn leidinggevende. Ik voel het stuur tegen mijn buik, ik heb geen ruimte voor mijn laptop, kan niet teruglezen hoe en wat precies. Dan zie ik in mijn hoofd een beeld van Ageeth, veroorzaker van zijn ellende. Maar die werkt al lang niet meer in de organisatie waar ik vertrouwenspersoon ben.
‘Ik hoor je,’ zeg ik. Stom zinnetje maar ik wil hem laten weten dat ik er ben en naar hem luister.
‘Op t.v.,’ zegt hij. Ik doe mijn best om te horen wat hij zegt. ‘De hele tijd.’ Dan snap ik het. Al twee weken ging het op t.v. over De Wereld Draait Door.
‘Het is…’ Hij maakt zijn zin niet af. Veel, denk ik. Zwaar, en nog veel meer. Alle emoties die hij zo zorgvuldig had opgeborgen zijn er weer. Hij is getriggerd door het nieuws over het jarenlange intimiderende gedrag van een redactie.‘Ach hè, wat sneu.’ Zorgvuldig maak ik zinnen van wat hij net zo hakkelend in losse woorden zei, om zo van zijn onmacht een verhaal te maken waar hij zich aan op kan trekken.‘Iedereen wist het.’ ik hoor hem slikken. ‘Niemand heeft iets gedaan.’ Ik hoor hem snikken. Hij heeft gelijk, niemand die iets deed.
Omar werd ziek door de vernederingen van Ageeth. Ik schreef er eerder over. ‘Niet terug naar je eigen team,’ zei de bedrijfsarts toen hij na maanden weer aan het werk wilde. Het werd ander werk, onder zijn niveau, maar alles beter dan werken voor Ageeth. Toen die weg ging, was het hele bedrijf opgelucht. Maar voor Omar was het niet voorbij. Als hij iets zag of hoorde over pesten of discriminatie, kon hij de nare gevoelens die boven kwamen amper de baas.
Hier, zittend in mijn auto, voel ik zweet op mijn neus. Ik zie een vrachtschip, het is duidelijk zwaarbeladen.
‘Ik kan het hier niet bij laten,’ zegt hij. De kracht in zijn stem verrast me. Hij wil zijn verhaal vertellen in de organisatie. Niemand mag meemaken wat hem overkwam.
Tien dagen later zitten we in een grote vergaderruimte waarin twee tafels tegen elkaar geschoven zijn. De blonde vrouw aan de ene kant, Omar en ik er tegenover. ‘Wat wil je in dit gesprek?’ vraagt Margreet. Zij is de HR-adviseur die destijds met hem meeleefde. Margreet is niet haar echte naam.
‘Ik weet het niet.’ Ik zie hoe zijn handen trillen. Toch komen zijn woorden plotseling vanzelf. Hij vertelt over de medicatie die hij nog steeds slikt, om het in zijn hoofd voor elkaar te houden. Over het werk waar hij zo van hield, dat hij kwijt is geraakt. Over de wond, die de afgelopen tijd weer open is.
‘Het spijt me heel erg,’ zegt Margreet. Ze buigt zich over de tafel naar hem toe. ‘Excuus…voor wat je allemaal hebt meegemaakt.’ Hij kijkt haar aan, alsof hij niet gelooft wat ze zegt. Leunt een tijdje achterover en weet dan wat hij wil.
Nauwelijks twee weken later zitten we aan de ronde tafel bij de man die de organisatie al bestuurde toen Ageeth er nog werkte. Floris, zo noem ik hem hier. De handen van Omar liggen voor hem op de tafel. Hij zit voorovergebogen, op het puntje van zijn stoel. Hij vertelt, wordt niet onderbroken. Af en toe schudt Floris met zijn hoofd, alsof hij niet herinnerd wil worden aan alles wat Ageeth teweeg heeft gebracht.
‘Heel erg voor je,’ zegt Floris. Voorzichtig klinkt het.
‘Niemand deed iets,’ zegt Omar. Ik zie hoop, hoop dat hij het antwoord krijgt dat hem verder helpt.
‘Nou, ik denk wel eens…’ De stem van Floris klinkt zacht, alsof hij hoopt dat we hem niet horen. Zijn handen gaan naar zijn bril, omklemmen elk een glas. Dan heft hij zijn hoofd, kijkt eerst naar mij en dan naar Omar. ‘Zo had het niet gemoeten,’ zegt hij. ‘Het spijt me. Dit had je niet mogen overkomen.’ Hij houdt de blik van Omar vast. Dan hoor ik een zucht en ik hoor de rug van Omar die contact maakt met de stoel waarop hij zit. In de stilte die volgt gebeurt een hoop.
‘We…eh, ik had in moeten grijpen.’ In het kantoor van Floris lijkt de bedompte lucht plaats te maken voor een frisse bries.
Vaak heb ik me afgevraagd waarom Omar niet vertrok. Een fijner bedrijf had hij gemakkelijk kunnen vinden. Kennelijk moest het gaan zoals het ging. Ik denk nog vaak aan deze doorzetter en overlever. Een half jaar na het gesprek met Floris, mocht Omar terug naar zijn eigen team. Terug naar het werk waar hij zo van hield. Weliswaar na een uitgebreide sollicitatieprocedure. Een veilige, empathische, organisatie; dat ben je zomaar niet.
Wat eraan vooraf ging:
