‘Pannenkoekrestaurant of Bistro?’ Een vriendelijke stem uit mijn telefoon. Op de achtergrond het geluid van opgewonden kinderen. Bomvol, klinkt het. Na de 25 kilometer die ik vandaag gelopen heb, Coevorden-Hardenberg, etappe van het Pieterpad, wil ik lawaai en drukte vermijden. Dat dat anders uitpakt weet ik dan nog niet.
‘Doe maar Bistro,’ zeg ik. Een eetgelegenheid pal naast het hotel waar ik komende nacht zal slapen. Drie kilometer teruglopen naar het centrum waar andere eetgelegenheden zijn, ik moet er even niet aan denken.
Twee uur later loop ik naar binnen over de oneffen vloer. De ruwe stenen op de muur doen me denken aan de pizzeria in Leeuwarden waar ik altijd bang ben dat er weinig voor nodig is om de boel in vlammen op te laten gaan. Geen enkele uitweg.
Snel wordt er plaats voor me gemaakt. Gebruikt bestek en borden opgeruimd. Het tafelblad gepoetst en opnieuw gedekt. Het is de zwarte vierkante tafel waar ik aan ga zitten. De warmte kruipt omhoog naar mijn hoofd. Zweet op mijn rug. De grote eetzaal van het luxe hotel in Twente. Ik zit er weer. Obers en serveersters, achter lage trollies, die ze behendig door de zaal manoeuvreren, elkaar zorgvuldig vermijdend. Zwarte handschoentjes, mondkapjes. Net als nu een wandelvakantie. Coronatijd. Blauwe linnen broek met witzijden bloesje. Een zilveren ketting, gekleurde armbandjes en twee zilveren ringen. Na een dag lopen en zweten heb ik net als de drie dagen ervoor, echt even mijn best gedaan. Het dikke boek van John Boyne, een van mijn favoriete schrijvers, op de rode zitting van de stoel aan mijn linker kant. Uit het zicht. Om de wachttijd tussen de vele gangen mee te vullen.
Na vijf rondes met de heerlijkste liflafjes is mijn neus overprikkeld. De geur van rode bieten tartaar met venkel, van gebakken zalm met parelcouchcouch. Ik heb zin om in de joggingbroek rond te hangen op mijn kamer. Ik skip de gangen die nog moeten komen en schuif de zwart gestoffeerde stoel naar achter. Mijn rechterhand steunt even op de tafel en ik laat los als ik sta. Ik zet mijn rechtervoet naar voren, richting uitgang. Maar als de linker aan de beurt is, blijft de rubberen zool van mijn zwarte sneaker haken in het pluizige tapijt en komt tot stilstand. Mijn bovenlichaam al bezig met haar weg vooruit. Ik wiebel. Mijn armen als molenwieken. Een laatste poging tot evenwicht. Mijn romp naar achteren, een worsteling. Gerinkel achter me van stijlvolle wijnglazen. Lepels, vorken en bestek die elkaar raken. Uitroepen van mensen. De punt van de tafel waaraan ik net nog zat raakt het midden van mijn ruggengraad. Waaibomenhout gelukkig. Hij kiept. En dan hoor ik niks meer. In de verte onpersoonlijke deuntjes uit boxen.
‘Gaat het, mevrouw?’ Een warm hoofd, als de keer toen ik viel met mijn fiets en hoopte dat niemand het zag. Ik weet dat ik beter kan blijven liggen.
‘Moeten we een dokter bellen?’ De lieve stem van de jonge vrouw die me al een aantal dagen bedient en praatjes met me maakt. Ander toegesneld personeel ruimt op. Voorzichtig kom ik omhoog, ongeschonden lijkt het. Als ik de zaal verlaat til ik mijn voeten zo hoog mogelijk op. Mijn mondhoeken trek ik met moeite omhoog. De trollies rollen zoals ze dat deden voor ik viel. Er is niemand van de andere gasten die opkijkt van dat wat zo kunstzinnig is opgediend.
Hier, in de Bistro die veel chiquer is dan ik vermoedde, geen trollies. Hier kunnen mijn slippers niet blijven haken in tapijt.
‘Op een bedje van…’ Het enige dat ik kan onderscheiden in het geroezemoes om me heen. Stemmen van jonge slanke vrouwen in korte zwarte jurkjes die aan de overige tafeltjes ijverig bedienen.
Even later zet een van die vrouwen een gekleurd schaaltje voor me neer. Ik kijk omhoog. Probeer haar lippen te lezen.
‘Op een bedje van…’ Van wat zij zegt kan ik, ondanks mijn gehoorapparaten, alleen dat verstaan. De andere woorden lossen op in de warme volle akoestiek.
‘Knabbeltjes…’ denk ik te horen. ‘Papadums.’
‘Krijg ik nog meer?’ Ik kijk op naar de goed opgemaakte vrouw die haar best voor me doet. Zie haar mondhoeken even naar beneden zakken. Ik wil gewoon een bord met de vis die ik bestelde. Geen Twentse taferelen.
‘Alleen nog broodjes.’ Als ze wegloopt bestudeer ik de twee piepkleine donkergroen met rose gekleurde vormpjes, in het kommetje dat ze voor me op tafel heeft gezet. Ik zie vooral de witte dingetjes eronder. Knabbeltjes, vermoed ik. Eten dat ik begrijp. Ik steek een handjevol in mijn mond. Ik schrik. Kijk snel om me heen als ik de keiharde dingen tussen mijn tanden voel.
‘Heerlijk,’ zeg ik als de serveerster even later vraagt of het heeft gesmaakt. De twee lekkere kleine dingetjes. Over de rauwe witte boontjes, die ik in een servetje had gespuugd en snel in mijn tasje frommelde, zeg ik niks.
Haute Cuisine. Lopen. Peta. In een dergelijk restaurant verlang ik altijd naar mensen met gescheurde spijkerbroeken, veel tattoos, vervelende kinderen, dak- of thuisloze in stinkende kleren en heb ik zin me als een puber te gedragen. Het gevoel van schaamte, nergens voor nodig, ook al zit ik alleen aan een tafeltje.
Zodra mijn bord leeg is, sta ik op, reken af en loop het kleine stukje naar waar ik overnacht. Mijn witte slippers alvast in de koffer. Morgen wat stevigers nodig aan mijn voeten. Zonder verdere poespas plof ik in bed. ‘Op een bedje van…’ hoor ik nog. Verschillende vrouwenstemmen. Ik onderscheid ze tussen de vele geluiden die nog nagalmen in mijn hoofd. Een glimlach om mijn lippen.
‘Ik lig hier prima…,’ realiseer ik me vlak voor ik in een diepe slaap val.
‘…op dit bedje van hotel Hardenberg.’
