‘Graag alleen even luisteren’, de kalme stem van Bert vult de ruimte van zijn kleine lichte kantoor.
‘Ik heb beide kanten van het verhaal gehoord.’ Met zijn vingers glijdt hij langs de zijdes van het schrijfblok dat voor hem ligt. Houvast aan opgeschreven woorden. De stevige man, in de gemakkelijke blauwe trui, kijkt eerst naar Ellen en dan naar mij. Zij is een van zijn medewerkers, ik ben haar vertrouwenspersoon. Ik zie onzekerheid in zijn ogen, lijkt op zijn hoede. Hoopt op steun van mij misschien.
Ellen had een relatie met een collega, die is onlangs op een vervelende manier geëindigd.
‘Hij betrekt me nergens meer bij’, vertelde ze me kort voor het gesprek met Bert.
‘Strooit verhalen over mij rond.’ In haar stem hoorde ik paniek. Zo kon ze haar werk niet doen.
Nu, in het kantoortje van haar baas, zit de jonge vrouw onderuitgezakt tegenover hem. Hoofd in de nek, kijkt naar het plafond.
‘Ik krijg signalen van je collega’s.’ Ik hoor een schrapend geluid uit de keel van Ellen. De zwarte schoen aan de voet die op haar knie ligt ploft op het blauwe linoleum. De staart waarin ze het lange blonde haar bovenop het hoofd heeft verzameld, schiet naar voren. Bert trekt zijn wenkbrauwen hoog op. Het is niet de bedoeling dat ze nu reageert.
‘…last van jullie onenigheid…,’ hoor ik. Bert knijpt zijn ogen tot spleetjes. Hij kent deze vrouw. Weet hoe moeilijk het is door haar gehoord te worden.
‘Het heeft effect op onze klanten.’ Van zijn goed voorbereide woorden hoor ik slechts flarden. Ik kijk naar Ellen, wil voorkomen dat er straks iets naars gebeurt. Ik hoef niet lang te wachten.
‘Niet eerlijk!’ Haar woorden kaatsen tegen de ramen. Buiten zie ik donkere wolken.
‘Doe altijd goed mijn werk.’ In de korte stilte die volgt hoor ik het raspende geluid van haar ademhaling.
‘Jíj bent hartstikke partijdig.’ Haar vinger wijst naar Bert. Hij is je leidinggevende, denk ik, voel hoe ik mijn adem inhoud.
‘Ontsla mij maar.’ Roept ze. Niets hoort ze meer van wat Bert zegt. Mediation wil hij starten. Haar instemming heeft hij nodig. Had ze haar hart maar eerder bij mij gelucht, gaat het door me heen. Zoals vaak gebeurt, had ook zij veel te laat contact met me gezocht.
‘Misschien…,’ mijn stem klinkt zacht, alsof wat ik zeg tot een ontploffing kan leiden.
‘…even alleen met Ellen verder praten?’ Ik heb de woorden nog niet uitgesproken of Bert laat de wieltjes van zijn bureaustoel naar achter rollen, springt op. Zijn laptop en papieren drukt hij tegen zijn borst, alsof ze hem moeten beschermen. Bij de deur draait de leidinggevende, die de jongste niet meer is, zich om.
‘Je antwoord, eind deze week.’ Met zijn hand op de deurknop kijkt hij nog even naar haar. Achtergebleven met Ellen, stel ik voor thee te halen. Terug in het kantoortje heeft de korte beweging, niet gebracht wat ik had gehoopt. Uitrazen werkt niet, hoeveel begrip ik ook geef.
‘Soms worden we getriggerd.’ Met mijn stem en ogen zoek ik haar aandacht. Probeer haar stemming uit de groef te tikken.
‘Dan neemt het gevoel het over.’ Ik ben bang dat ik bevoogdend klink. Ga er mee door tot haar hoofd omhoog komt, haar rug zich recht. Ze kijkt me aarzelend aan. Begint te praten.
‘Het voelt weer net als toen.’ Zo gaat dat, denk ik. Vechten, vluchten of bevriezen. ‘Ontsla mij maar.’ Om nooit weer mee te hoeven maken wat eerder gebeurde. Kennelijk niet eerder een luisterend oor voor gevonden.
De medewerker ‘verdikken’, dat is nu mijn taak. Ik leende die term van een bestuurder die mijn rol zo beschreef. Ordenen, vertragen, zaken in perspectief zien, als het de client even niet lukt. Een overprikkeld zenuwstelsel, uitgeput, vaak al lange tijd in een moeilijke situatie. Ik vertel wat Bert van haar vraagt. We bespreken haar opties, de mogelijke gevolgen.
‘Denk er maar over na. We bellen morgen.’ Ik schuif mijn stoel naar achter. Als we beide bij de kapstok staan hoor ik een zucht.
‘Sorrie hoor, dat ik zo heftig was.’
Deze tekst is gebaseerd op ervaringen van mijn werk als vertrouwenspersoon. Gebeurtenissen zijn onherleidbaar beschreven, namen zijn verzonnen. Elke overeenkomst met een organisatie, plaats of persoon berust op toeval of schrijf ik toe aan het feit dat beschreven gebeurtenissen veelvuldig voorkomen.
