‘Nee, ze klotsen niet,’ denk ik als ik op de markt uit het kratje de beste Galiameloen zoek. Ik moet wachten, er staat een lange rij. Tijd om te denken aan mijn vader, de krant en de meloen. Ik denk dat ik rond de dertig was.
Mijn vader zit in de stoel dicht bij de t.v. De ouderwets grote krant die hij voor zich houdt heeft hij zo gevouwen dat het makkelijk leest. Zo vouwen, dat is me nooit gelukt. Ik loop naar de keuken waar mijn moeder de boodschappen uitpakt. Ze pakt de meloen die ze kocht, wil hem aansnijden en verdelen. Ik ben haar net voor, pak de meloen en loop ermee naar mijn vader. Ik sta naast zijn stoel en beweeg de meloen voor zijn linkeroor heen en weer. Hij kijkt op.
‘Hoor je dit wel?’ vraag ik. Hij schudt zijn hoofd. We proberen het andere oor. De krant heeft hij op zijn knieĆ«n laten zakken. Ik zie angst in zijn ogen, schrik. Dan dringt het tot hem door: niemand hoort het klotsen van een meloen! Hoe het afliep weet ik niet meer, wel dat ik de steeg in rende.
Ik weet nog hoe het bij mijn vader begon. We waren op Vlieland, snikheet weer.
‘Wat een krekels’, zeiden we. Je kon ze horen bij het tenthuisje waarin we logeerden, aan de rand van de camping, dicht bij het bos.
‘Krekels?’ zei mijn vader. We lachten er om. Daarna werd het langzaam erger. Als je hem van een afstandje riep, hief hij wel zijn hoofd maar hij had geen idee waar het geluid vandaan kwam, keek soms in tegenovergestelde richting.
Mijn moeder kon hij goed verstaan, zij was het gewend, zij had als kind een slechthorende vader. Opa Corrie hoorde slechter dan mijn vader ooit zou doen. Ik zie nog voor me hoe mijn moeder met mijn tante overlegden over het cadeautje dat hij voor zijn verjaardag zou krijgen. Ze praten achter hun hand, hij zat er gewoon bij. Mijn vader schreef vast over die slechthorendheid van opa Corrie in de lange sinterklaasgedichten die alleen hij kon schrijven. Daar lachten ze dan zo hard om dat er zakdoeken nodig waren om hun ogen te drogen. Als opa bij ons op visite was, samen met ons t.v. keek, dan stond er een kastje voor hem. Aangesloten op de t.v. zodat opa het goed kon horen, gemaakt door mijn vader. De stof waar het geluid uit kwam was dezelfde als die van onze gordijnen.
Meer dan dertig jaar na de gebeurtenis met de meloen is het vaderdag. Ik fiets over het spoor waarover al lang geen treinen meer rijden. Fijn dat we in de tuin kunnen zitten, denk ik.
Drie minuten later parkeer ik mijn Johnny Loco tegen het schuurtje van Pa en Ma, achterin hun tuin. Op het terras, dicht bij het huis, ligt Ma in de tuinstoel te slapen. Op het gras, twee meter daarvoor staat Pa, met zijn rug naar me toe. Hij schoffelt de tuin voor de heg. Elke dag een stukje, is zijn motto. Mijn fiets schuurt langs de muur van het stenen schuurtje. Mijn schoenen knarsen over de grindtegels van het paadje dat naar de bruine keukendeur loopt. Hij hoort het allemaal niet.
‘Hee, Pa,’ zeg ik met duidelijke stem. Voorzichtig richt hij zich op, zijn schoffel lijkt een staf. Hij draait zich om. Eerst zijn romp, dan zijn hoofd. Daarna met kleine pasjes de rest van zijn lichaam.
‘Aaah Pietje,’ zegt hij. In zijn stem dezelfde warmte als in de zonnestralen op deze mooie dag.
In mijn tas heb ik een grote kaart die ik hem straks zal geven. Binnenin schreef ik over de meloen die je niet kunt horen. Een mooie foto van hem voorop. Al 55 jaar mijn vader.
Straks heb ik een afspraak bij Jerre. Ik slik de brok weg die in mijn keel omhoog komt, zie voor me hoe ik op een koude dag daar samen met mijn vader in de wachtkamer zat toen hij te oud was om zelf te gaan. Tegelijk voel ik een glimlach. Ik zie weer voor me hoe de man met wie mijn vader een afspraak had op ons toe liep.
‘Martin,’ zei hij toen hij zich met een handdruk aan me voorstelde.
‘Oh echt?’ zei ik lachend.
‘Ik denk al jaren dat u Jerre heet.’ We lachten alle drie.
‘Vier bananen. En doe maar een kilo rode uien.’ Eindelijk aan de beurt. Ik hoor het geritsel van de papieren zakjes waarin de rode uien verdwijnen. De apparaatjes in mijn oren zoemen zacht. Ik hoop dat ik komende zomer de krekels op Vlieland weer hoor.
