Mijn schouders omhooggetrokken, mijn hoofd gebogen over de tekst voor me op het scherm. Het liefst zou ik mijn handen over mijn oren doen. Het is alsof een entiteit zich, hoog in de ruimte waar ik zit te schrijven, verplaatst. Als ik niet buk zal het me raken. Mijn trommelvliezen klepperen. Een kinderkeel zwengelt het bombastische gedonder verder aan. Mijn rug trekt samen, ik maak me kleiner, minder kans om geraakt te worden. De peuter is even stil, neemt dan met nog meer decibellen toe. De grote ruimte van Doppio, uitgebreid met het buurtpand. Er is een verdubbeling gerealiseerd die blijkbaar nodig was. Op deze vrijdagmorgen zijn alle tafeltjes bezet.
Er is nagedacht over de inrichting, denk ik als ik om me heen kijk terwijl het lawaai boos en dwars afkaatst op de gladde koperkleurige vloertegels. Met die gevlamde plavuizen is de eigenaar erin geslaagd het oude en nieuwe deel van het restaurant een geheel te laten lijken.
Het kind is weg. Mijn schouders laat ik zakken maar stil is het niet. Schrapende metalen stoelpoten over een harde koude ondergrond, klikkende zolen, lepeltjes in kopjes, bordjes neergezet op gladde kunststof tafelbladen. Zacht gefluister en dan weer bruisend en krachtig als woelige nietsontziende golven bij een zware storm. Het gekletter van bordjes en theeglazen die vanuit de vaatwasser op elkaar gestapeld worden. De harde bons van de deur die zich sluit als vuil servies en bestek is ingeladen.
Ik werd me pas bewust van dit alles nadat mijn collega vertrok al had ik me behoorlijk in moeten spannen om haar te kunnen verstaan. Pas nu ik alleen ben, snap ik hoe dat komt. Ik voel druk op mijn borst en in mijn hoofd. Mijn borst zet ik uit. Mijn lichaam maakt een tegenbeweging, bang overspoeld te worden. Ik kijk om me heen op zoek naar iets waardoor ik tot rust kan komen. Een warmte, die ik nergens vind. Ik verlang naar dikke stoffen gordijnen. Naar hoogpolig tapijt, tafeltjes met kleedjes, een haard. Zachtheid waarin gekrijs en gebonk verdwijnt. Ik wil lieve omarmende fauteuils met poten die haken in het kleed waarop ze staan. Ik verlang naar een plek die voedt, die schenkt zonder dat ik daarvoor een prijs hoef te betalen.
