De achtbaan

Kramp in mijn buik. Terwijl ik in mijn auto een voor mij bekende route rijd zit mijn adem is hoog, lichaamstemperatuur gestegen. Ik zie het beeld voor me van de vrouw die ik ga ontmoeten. Ik ken haar uit een andere situatie, coaching van het team waarin ze zit.  Niet gemakkelijk benaderbaar, moeilijk in de communicatie, overal tegen. Ik merkte het aan de toon van de mails, hoelang het duurde voor ik een reactie kreeg. De manier waarop ze reageerde op mijn voorstel voor een tijdstip van onze coachsessie. Geen zin in het gesprek.

Als ik over het rode marmoleum loop in de gang van de school waar zij werkt kom ik langs het kantoor van de directeur. De jonge man zit gebogen over zijn toetsenbord. Hij is mijn opdrachtgever. Wil dat de medewerkers zich verder professionaliseren.  Ik loop door naar de ruimte waar we zullen zitten, denk nog even aan mijn gekozen aanpak: ‘de achtbaan.’ Een techniek die ik leerde in mijn opleiding, eentje die voelt alsof ik zonder rem door bochten scheur. Geen controle. Dat is precies waarom ik de attractie in een pretpark en op de kermis het liefst vermijd, nu in mijn werk heel spannend vind.

Als ik het ruime lichte lokaal binnenkom zit ze aan een tafel die ze los heeft geschoven van de rest. Aan beide kanten een kopje, thermoskannen op tafel. We praten over de braderie die morgen begint. Een hoge opbrengst verwacht ze, een mooi goed doel. Als we voldoende opgewarmd zijn stap ik de achtbaan in.
‘Ik zie op tegen dit gesprek’, zeg ik. Speur op haar gezicht naar het effect van mijn woorden.
‘…je mails.’ Mijn stem onvast, hoop niet dat ze dat hoort.
‘Ik denk dat je dit eigenlijk niet wilt.’ Ik sla mijn handen uiteen, kijk de ruimte rond. Zoek met mijn rug de leuning van mijn stoel.
‘Geen zin in een gesprek met iemand die niet wil,’ maak ik mijn zinnen af. Ze kijkt op. Haar wenkbrauwen omhoog. Even is het stil.
‘Zo moet je dat niet zien!’ Haar stem schiet uit.
‘Het is juist goed, dit soort gesprekken’, gaat ze verder.
‘Maar…,’ zegt ze.
‘Ik werk maar 2 dagen dus heeft coaching geen enkele zin.’ Ik ga er niet tegenin. Ik zit in de achtbaan, kan niet meer terug.
‘Dan doen we het niet’, ga ik door. Op de gang hoor ik stemmen. Leerlingen die wisselen van lokaal, naar huis gaan misschien. Natuurlijk wil ik er graag een mooi gesprek van maken. Maar ik ga niet ploeteren op goeie vragen terwijl zij me blijft ontwijken. Ik kijk waar mijn tas staat. Van plan de spullen die voor me liggen er in te doen.
‘Het is heel moeilijk thuis.’ Verbaasd kijk ik op.
‘…ernstige handicap’, hoor ik. Heb moeite mijn aandacht opnieuw op haar te richten. Als ik het goed begrijp gaat het over haar zoon. Hakkelend gaat ze verder. Wat het van haar vraagt, welke keuzes ze heeft moeten maken.
‘…werk heel weinig…geen kans op promotie.’ Als een diesel komt ze op gang. Ontevreden is ze over zichzelf. Als ze zegt dat ze ver onder haar niveau werkt, geloof ik haar meteen.
‘Het gesprek is nu toch begonnen’, zegt ze en lacht kort. De achtbaan. Vanuit mijn tegenzin en irritatie in een mooi gesprek beland.

Deze tekst is gebaseerd op ervaringen van mijn werk als coach. Gebeurtenissen zijn onherleidbaar beschreven, namen zijn verzonnen.  Elke overeenkomst met een organisatie, plaats of persoon berust op toeval of schrijf ik toe aan het feit dat beschreven gebeurtenissen veelvuldig voorkomen.