The housecleaner

De housecleaner

‘My wife loves the housecleaner.’  Weer thuis. Na vijf dagen cursus met mensen vanuit de hele wereld, produceren mijn hersens nog steeds Engelse zinnen. Een hoofd vol indrukken en ervaringen. I am still processing. Ik leerde nieuwe dingen over logosynthese, het bijzondere model waar ik als coach al jaren mee werk. Vanuit het conferentiehotel Vila Heidebad in Epe was ik geïnspireerd weggereden. Zin om iets concreets te doen. Ik reed langs een tuincentrum en kocht veertien struikjes. Om de gaten in het hegje in mijn achtertuin mee op te vullen.

‘Until now, nobody cleaned the way my wife likes.’ De eetzaal doemt voor mijn ogen op. De man die de woorden sprak tegenover mij. De beschuitjes met ei, de geur van versgebakken croissants bij het ontbijt. Het heerlijkste eten ’s avonds bij het diner. We maakten foto’s van elk gerecht. De kunstwerken leverden bewonderende reacties op van het thuisfront!

Hier in mijn tuin, bik ik gaten in de harde droge grond. Een stortvloed aan herinneringen verdringen elkaar. Aan Epe maar gek genoeg ook aan the women die mijn huis, door de jaren heen, schoonmaakten.

Ik zie het beeld van de vrouw die langzaam, ver voorovergebogen, achter een rollator loopt. Zo kwam ik haar, lang nadat ze bij mij gestopt was, een keer tegen in de stad. De trillende handen en de pijn in het lichaam van die lieve, wijze vrouw waren zo erg geworden dat werken niet meer lukte. Ze regelde een opvolger; de zus van de buurvrouw. Als die was geweest, gooide ik ramen en deuren open. De schrale rooklucht moest verdreven. Haar stem vond ik luid, haar woorden hard. ’s Avonds in mijn bed was ik onrustig. Zij had een sleutel van mijn achterdeur. Toen op een dag. Ik lig op de bank, washandje op mijn brandende ogen. Uitgeput van de hooikoorts, ziek van de pollen. Een lieve vriend die kwam koken liet de sperziebonen in de pan zakken. De geur van gebakken ui en knoflook verdrong maar langzaam de bedompte walm die de hulp had achtergelaten.
‘Gadver, ruik jij niks?’ Ik wachtte een antwoord niet af. Ik klom op de fiets. Met piepende longen trapte ik vijf minuten dapper door. Mijn vinger had de bel naast de voordeur nauwelijks aangeraakt toen deze open ging.
‘Ik ga het zelf weer doen,’ loog ik tegen de vrouw waarvan ik niet meer wilde dat ze mijn werkster was. Mijn rechterarm stak ik uit. Ik maakte van mijn hand een kommetje.
‘De sleutel!’ Ze keek alsof ik een pleister van haar lichaam trok.
‘O, eh…nou ja, als je dat liever hebt.’  Ze keek me aan alsof ze er niet zeker van was of ze ging doen wat ik vroeg. Ik zette een voet op het stoepje voor haar deur. Voelde daarna het koude metaal op mijn koortsige hand. Als iemand die iets gestolen heeft fietste ik weg.

Als ik de helft van de gekochte plantjes heb ingegraven strek ik mijn rug. Wie waren de andere housekeepers ook alweer? Ik graaf door.

‘Die vlekken moeten weg…’ Ik kijk neer op de Bosnische vrouw met de donkere kleren.
‘…volgende week!’ Ze wijst op de plavuizen in de keuken van mijn nieuwe woning. De ingebakken vegen. Sinds de verhuizing deed ze anders. Ik had het gevoel dat ik met mijn nieuwe huis, in haar ogen, in aanzien was gestegen. Dat zij zelf een aantal treden hoger was geklommen op haar eigen maatschappelijke ladder. Ze vertelde me hoe ik mijn kleren moest opvouwen. Hoe ik de kamer in moest richten. Dat ik te dun was geworden.
‘Ik heb al een moeder.’ Op de schoongepoetste vloer stond zij aan het aanrecht. De geur van azijn. Mijn beide handen sloeg ik uit. Mijn stem klonk luider dan normaal. Te gast in mijn eigen huis waar zij de scepter zwaaide, momenten die ik haar als ik uitgerust en ontspannen was, best gunde.

De gaten in mijn heg zijn bijna opgevuld. Ooit stond hier een buxus. Opgevreten door de moeilijk te bestrijden mot. ‘It will never be as beautiful as the previous one.’ De steen in mijn maag wordt al snel verdreven door de aandacht voor mijn cleaning lady’s. Eren wil ik ze, met deze geschreven woorden.

Mijn allereerste! Ik zou haar vergeten zijn, als ik haar een paar weken geleden niet tegen was gekomen. Ver over het stuur gebogen van haar fiets, zoals ze dertig jaar geleden ook al deed. In zichzelf, warrig en intelligent. Net als toen. Dan laten mijn hersens me de mooie oude schuifdeuren zien. De eerste woning die ik kocht. Waarom is this image gekoppeld aan die van een blonde paardenstaart? Dan weet ik het; de haardracht van de domestic worker die ik daar had. Toen ze in haar eigen huis het metaal van de kranen had gepoetst, het linoleum kaal had gedweild, de ramen glommen als het kristallen servies in een vitrine, had ze van haar smetvrees een verdienmodel gemaakt. Over haar prestaties had ik niets te klagen.

Ik veeg nog even de straat, waar net nog de nieuw gekochte struikjes stonden. Met de gedachten over de waardevolle werksters komt ook mijn leven voorbij. Als een snel doorgedraaide film. Ik scrol er willekeurig doorheen. Vooruit, achteruit tot ik uiteindelijk aan het eind van de movie beland.

Teruggereden van de retraite, open ik mijn roodgelakte voordeur. De lavendelgeur komt me vriendelijk tegemoet. De schoon gedweilde vloer. In de keuken zijn de rondslingerende spullen schoongemaakt en opgeruimd. De vaatwasser leeg.
‘I love my housecleaner too,’ had ik kunnen zeggen tegen de man in Epe. Sjoukje, mijn hulp en die van mijn zus.
‘Gedaan wat je vroeg!’ Haar handschrift in het oude schriftje waarin ik haar vraag te doen wat niet vanzelfsprekend is.
‘Als Sjoukje komt is het altijd goed.’ Tot de laatste week van het leven van mijn moeder ook haar steun en toeverlaat. Ik koester de illusie dat als ik oud en versleten ben, Sjoukje nog altijd mijn huis schoonmaakt. Dan negeer ik het rekensommetje dat ik af en toe doe, mijn leeftijd min die van haar. Het verschil lijkt steeds kleiner te worden.

Nu niet aan denken. Nu is er rust. De rondslingerende Engelse woorden en zinnen hebben een plek gevonden in mijn hoofd. Ik heb het lijstje met dames die mijn huis schoonmaakten compleet. Dierbare reisgenoten, ieder op een ander stukje van mijn leven.