Net aangekomen op Vlieland, op het strand. Eén duin ging ik over. Die is, bij wijze van spreken, in de achtertuin van ’t Wittennest, het huisje waar ik net als eerdere jaren verblijf. Na alle regen en kou die we de afgelopen weken hadden voel ik, tot mijn verrassing, milde lucht. Geleidelijk verbind ik me, met het strand, de zee, de duinen, de wolken. Alsof er plaats gemaakt wordt voor mij. Omarmd. Wat ik beleef, in de twee weken dat ik hier ben, is weinig en veel tegelijk. Hieronder een paar ervaringen.
Kou en wind, het zand striemt langs mijn benen. Spijt dat ik mijn korte broek heb aangedaan.
‘’t is rustig.’ Als ik bij de strandtent ben aangekomen begin ik een praatje met de vrouw die al aan een van de tafeltjes zit. Het worstenbroodje dat ze eet, vind ik niet terug op de kaart. Praten wil ze wel. Over wonen op Vlieland, over gasten.
‘Laatst was er dus iemand…’ Ze kijkt door het raam van het kleine paviljoen waar ze met haar man de eigenaar van is. Heft dan de armen boven haar hoofd.
‘Vroeg of wij een kinderhoekje hadden.’ Ze maakt een wijds gebaar naar het uitgestrekte strand en de oneindige zee van Oost-Vlieland. Haar hoofd maakt een gebaar naar buiten.
‘Kijk onze speeltuin mevrouw!’ Ze lacht er niet bij.
‘De grootste van Europa,’ in haar stem hoor ik ergernis. Ik denk aan de drie kleine meisjes die ik eerder deze week, zag vanaf het toen zonnige terras. Zelfde leeftijd, zelfde kleren, zelfde blonde haren. Omhoogklimmen, naar beneden rollen. Aan het tafeltje naast mij hielden de ouders het onvermoeibare drietal in de gaten. Mee eens, daar kan een kinderhoekje niet tegenop.
‘Ze moeten naar de lucht kijken.’ Gaat de strandtentbezitster verder.
‘Niet in die stomme…’ ze maakt een gebaar naar haar telefoon.
‘…weerapps.’ Ze moppert hoe belachelijk ze het vindt dat de kinderen tegenwoordig nauwelijks kleren aan hebben als ze naar buiten gaan. Ik kijk naar mijn korte broek.
‘Het waait hier altijd,’ zegt ze met klem. Zij draagt een dikke jas en lange broek. Die grote auto bij de duinopgang is vast van haar, denk ik. Zij keek vanmorgen wel naar buiten. Ze grapt naar de bediening. Verdwijnt dan in haar telefoon.
‘Mijn vrouw werkt de Facebookpagina bij,’ zegt de man die het ontbijt voor mij op tafel zet. Hij knikt in haar richting, alsof hij het sneu voor me vindt. Ik heb vakantie. Toast met geitenkaas, peer, honing en walnoten. Daar heb ik wel wat gemopper en koude gezandstraalde benen voor over.
Een andere ochtend.
Ik beklim de strandovergang. Stap voor stap. Dat doe ik elke ochtend, het duin over en dan lopen op het stille strand.
‘Goedemorgen.’ Vandaag staat er een man halverwege het te bestijgen duin. Een tekenblok rust op zijn linker onderarm. In zijn rechterhand een potlood. Zijn witte lokken waaien heen en weer onder de pet die hij draagt. Hij tuurt in de verte. Ik loop hem voorbij en kijk dan om. Nieuwsgierig naar wat hij ziet en wat hij tekent. Uitzicht over het park, huisjes met daarachter de bossen. Wolken komen en gaan. Geen moment hetzelfde. Hij tekent het huisje pal voor hem. Eider.
‘O, eh…u tekent die?’ Ik knik met mijn hoofd naar de vakantiewoning waar ik net omheen gelopen ben.
‘Ja, mijn zoon komt hier morgen in.’ Vreemd, denk ik. De eigenaren van Eider zag ik net nog. Het is dinsdag en zaterdag is meestal de wisseldag.
‘Logeert u hier ook ergens?’ Op dit mooie eiland ben ik nieuwsgieriger dan in mijn normale leven. Hij bladert door zijn schetsboek, laat me een van zijn andere tekeningen zien.
‘Oh…het Elfenbankje,’ zeg ik verrast. De eigenaardige bunkerachtige hut een stukje verderop.
‘Ik was altijd al benieuwd hoe het ervan binnenuit zag,’ zeg ik naar waarheid. Twee open haarden in de kamer, schoorstenen van boven tot beneden aan de voor- en achtergevel.
‘Maakt u een tekening …,’ vraag ik.
‘…dan een foto, en stuurt u die naar uw zoon?’ Mijn stem gaat omhoog en blijft daar even hangen.
‘Ja…veel leuker dan foto’s.’ Hij kijkt me aan, alsof hij wil weten wat ik daarvan vind.
De daaropvolgende dagen houd ik het in de gaten. Op woensdag scharrelen de eigenaren van Eider nog steeds om het huisje. Op donderdag denk ik dat de man misschien het verkeerde huisje heeft getekend of dat voor hem ‘morgen’ elke willekeurige dag is die nog komen gaat. Zo jong is hij tenslotte niet meer. Op vrijdag zie ik de Eider-bezitters met ingepakte koffers voor mijn huisje langslopen. Dan eindelijk, op zaterdag, in tegenovergestelde richting, wapperen de wilde lokken van de tekenaar voorbij. Samen met zijn zoon en kleinkinderen. Ik zwaai naar hem. Wat maakt het uit. Op Vlieland lijken alle dagen op elkaar.
In het weekend komen mijn zussen. Shoppen willen ze. Er zijn een paar winkels, er is een dorpsstraat. Daar lopen wij, samen met wat andere toeristen, langzaam doorheen. Op hoogte van hotel de Bruin zie ik Alie, samen met haar vriendin. Onze groet klinkt vrolijk. We zijn net ver genoeg van elkaar verwijderd om niet bij elkaar stil te hoeven staan.
‘Wie was dat?’ zegt een van mijn nieuwsgierige zussen.
‘O, een vroegere collega.’ Ik praat zachtjes. Misschien is Alie omgekeerd en loopt ze achter ons.
‘Gedoe.’ Mijn rechterarm beweegt alsof ik met een racket een balletje weg sla.
‘Je Bestie dus,’ mijn zus lacht. Ik ken het woord niet maar begrijp wat ze bedoelt. Mijn beste vriendin, maar dan niet heus.
Als ik zeker weet dat Alie niet meer in de buurt is vertel ik over het gedoe. Ik had iets gezegd of gedaan in een vergadering. Een mening, een weerwoord, een interventie. Ik weet het niet meer. Ik merkte niet dat zij zich daaraan had gestoord. Tot zij later op die dag plotseling naast mijn bureau stond.
‘Ik wil een gesprek met jou,’ zei ze en legde een dichtgevouwen briefje op mijn bureau.
‘Met iemand erbij.’ Dat klonk niet goed. Ik pakte, zonder twijfel, het briefje op en liep achter haar aan. Ik gaf het haar terug, zonder te kijken wat erop stond. Ik wilde geen briefje en ook geen gesprek. Die ‘iemand er bij’ wilde niet, vond dat zij best zelf met me in gesprek kon. Ik wilde het allemaal niet maar ontkwam er niet aan.
Ik veerde met haar mee. Ik wist hoe je dit soort gesprekken moest voeren maar ik liet mezelf onbegrepen. Als ik ging zeggen wat ik werkelijk vond, ze kon me niet begrijpen. De grote baksteen in mijn borst bleef het hele gesprek. Zijn wie ik ben en zeggen wat ik vind, het zou me alleen maar gedoe opleveren.
Als ik ‘s middags mijn zussen op de boot heb gezet, loop ik terug naar ’t Wittennest. De zon schijnt. Bestie en haar vriendin, zonnebrillen en petten. Ik zie het te laat. Op een schelpenpaadje passeren we elkaar en maken een praatje. Dat kunnen we best, zoveel jaren later. Vlieland, zonneschijn en nooit meer samen hoeven werken. Voorzichtig ben ik wel. Op mijn hoede. Zij weet hoe de wereld in elkaar zit en begrijpt niks van die van mij.
Een paar dagen later op weg naar het Posthuis. Over het schelpenpad fiets ik tot ik vier kilometer verwijderd ben van mijn einddoel. Ik parkeer mijn fiets en loop de duinen in op weg naar de zee. Ik vraag me af of ik hier ooit eerder liep. Het paadje dat ik volg lijkt nog niet door veel mensen betreden. Dan de grote vlakte, het brede strand, de bulderende zee. Ik sta een tijdje stil aan de vloedlijn, loop rustig heen en weer, word stukje bij beetje deel van wat ik waarneem. Het geluid van de golven, de wind in mijn haren, het zout in mijn neus. Ik loop terug naar waar het strand overgaat in de duinen, ga daar zitten en kijk over het water.
Een geluid links achter mij. Als ik omkijk zie ik drie jongens, nog net geen pubers. Ze dalen door het losse zand richting de zee. Ze bewegen met elkaar, zwalken als één entiteit. Dan weer dicht bij elkaar, dan weer verder uiteen, de harde wind trotserend. Onder hun arm elk een skimboard.
Als ze het brede strand over hebben gestoken, naderen ze de waterlijn. Ik voel gejaagdheid in mijn borst. Nog niet los vertrouwd, denk ik. Geen idee wat ik moet doen als ze kopje onder gaan. Dan hoor ik rechts van mij in de verte stemmen. Een vrouw met nog drie kinderen.
‘Ik was al bang dat ze alleen waren,’ zeg ik als ze op gehoorafstand van me zijn en me opmerken. Ik knik met mijn hoofd richting golven.
‘Was u bang dat u ze zou moeten redden?’ zegt ze lachend terwijl ze doorloopt. Nog net te verstaan. Ik knik een aantal keer.
‘Dat is lief,’ denk ik te verstaan. Al te ver weg om het zeker te weten.
Voor ik het weet zit ik weer op de boot naar huis. Op het dek, zie ik eerst een vrouw en later een jonge man grijpen naar hun hoofddeksel. Door de wind opgetild. Bang dat het in de zee zal verdwijnen. Het hoort er allemaal bij. Vlieland. Langzaam vervagen de contouren. Het is zonnig en helder. Mijn gezicht ontspant, mijn schouders zakken. Van tijd tot tijd kijk ik op van het spannende boek op mijn schoot. Mijn oog valt op een zeemeeuw. Een einzelgänger die lang boven het dek blijft hangen. Ik vermoed dat dit voor hem, de mooiste plek is om te zijn. Een solovlucht. Zijn priemende ogen alert en speurend. Een stralend blauwe lucht. Hij maakt vaart en houdt dan weer in. Als een dans waar alleen hij de choreografie van kent. Ik prijs me gelukkig. Met waar ik ben en wat ik zie. Met waar ik vandaan kom en waar ik naar toe ga.
