Ze zijn allemaal zo talentvol hier dat ik niks liever wil dan verhuizen

Ze zit tegenover me, het hoofd voorovergebogen, haar ogen op de tekst gericht die ze schreef. Wat is ze goed, denk ik als ik luister terwijl zij voorleest. Mooie zinnen maakt ze en wat bewonder ik haar openhartigheid. Het maakt nieuwsgierig, geeft stof tot nadenken. In onze schrijfgroep, waar we beide aan deelnemen, geeft dat wat ze schrijft vaak aanleiding tot discussie en doorpraten. De woorden waarmee ze een diep verscholen taboe naar bovenhaalt amuseren me. Wat ze aankaart is herkenbaar. Dat zij woorden geeft aan wat ik niet zou durven schrijven of onder ogen durf te zien. Wat ze zegt en schrijft, ik moet er vaak beschaamd om lachen.

‘Ze zijn allemaal zo talentvol hier, dat ik niks liever wil dan verhuizen.’ Wauw, denk ik. Wat een prachtige zin. Haar stem klinkt vlak als ze hem uitspreekt en doorgaat naar de volgende. Ik hoor pijn in die woorden over verhuizen. Ik blijf steken, het lukt mij niet meer om haar stem te volgen. Ik wil begrijpen wat zij voelt. Het gaat over het dorp waar ze samen met haar man een aantal jaren geleden een huis kocht. Over de mensen die daar wonen en allemaal iets hebben met kunst. Ze zijn kunstenaar of denken dat te zijn. Waardoor is ze gekwetst vraag ik me af. Door wie, waardoor, waarmee.  Misschien is het feit dat die anderen allemaal kunstenaar zijn genoeg aanleiding om een oude pijn in haar naar boven te halen. Kan zijn dat ze daardoor is getriggerd.

Schrijfcursus historische fictie bij Volksuniversiteit Utrecht

Ik maak deze column, rond 10 uur ’s ochtends op de eerste dag van de 13 die ik op Vlieland zal zijn. Ik zit nog in mijn pyjama bij de tafel in het huisje waar ik al meer vakanties doorbracht. Het toetsenbord van mijn iPad ratelt. Het probleem met Word en Dropbox en het werken in de documenten die ik schreef en nu wil opslaan, heb ik net opgelost.

Zoals vaker bij het schrijven slaat de twijfel toe. Klopt het wel dat wat die vrouw van mijn schrijfgroep voorlas over het dorp en de streek ging waar ze woont, vraag ik me af.  Ze zei ook iets over een gezelschap van keurig geklede stellen dat met elkaar rond een tafel zat. Ik weet niet meer waar haar zinnen over gingen en bedenk dan dat het helemaal niets uitmaakt. Ik hoef alleen de opdracht te maken die we ons hebben gesteld. Ik mag experimenteren met taal, opzet en stijl en het zou fijn zijn als het een stukje wordt dat leuk is om te lezen.

Als zo vaak was het me niet gelukt goed te luisteren naar wat ze zei. Ik bleef ergens steken en miste het vervolg. De zin, die van dat talentvol zijn, had me meegetrokken in haar diepte. Ik ging op zoek naar een patroon, een mechanisme dat ten grondslag ligt aan haar pijn. Een nuttige bezigheid als ik aan het werk ben maar in een setting zoals deze onnodig en onhandig.

Ik denk wel eens dat het niet fijn meer is voor mijn vrienden om tegen mij te mopperen over iets in hun leven. Ik doe echt mijn best om ze aan te horen maar verdwijn tijdens het luisteren te vaak in dat wat ligt onder wat ze vertellen. Heel jammer! Mopperen heeft een functie, ik doe het zelf ook graag. Over mijn hooikoorts, over de warmte. Wat heb ik veel geklaagd over mijn boze buren. Ik maakte in het paadje waarop zij recht van overpad hadden een bocht, toen ik mijn tuin opnieuw aan liet leggen. Ik vond het vreselijk dat ze me sinds die tijd niet meer groetten. Het pad noem ik sindsdien ‘het omstreden pad’. Het is er gekomen maar niet nadat ze een advocaat op me af hadden gestuurd en ik de tuinman vroeg toch een aanpassing te doen in het ontwerp. Ze hebben na tien jaar niet groeten, hun huis nu te koop. Ik weet waarom ze weggaan. Niet om dat groeten, niet omdat de buurvrouw de trap niet meer op kan of omdat het de buurman niet meer lukt de tuin nog te onderhouden. Zij gaan verhuizen, ik weet het zeker, omdat ze steeds vaker fluisterend tegen elkaar zeggen: ‘iedereen in deze straat is zo talentvol, onze buurvrouw nog het meest. Wij willen niets liever dan verhuizen.’