Een coronamomentje

Een strak ritme. Alles op een vaste tijd, op dezelfde manier. Jaloers op mensen die zo leven. Normaal ben ik niet zo gestructureerd maar er is weinig meer normaal. Het is maart 2020, de eerste maand van de coronacrisis. Weinig werk en de zon die onafgebroken schijnt. Vaste patronen als zekerheid, als houvast dat me door de dagen helpt. Zo komt het dat ik na de lunch, net als de afgelopen dagen, een rondje loop. Steeds een andere route. Met structuur moet je niet overdrijven. Na meer dan een uur kom ik langs Panhuis. Mijn favoriete bloemenwinkel. Vorige week bestelde ik er nog een prachtig boeket voor mijn jarige zus. Geen feestje. Strenge maatregelen.

‘Ik ben bang dat we moeten sluiten,’ zei de eigenaar toen tegen mij. Ze keek er bij alsof ze me een groot geheim vertelde.
‘Niet heel erg,’ ging ze verder.
‘We hebben het zó druk met bezorgen. Niet normaal.’
‘Fijn voor jullie, die drukte.’ Mijn glimlach ging moeizaam. Nu we niks meer mogen is naar deze winkel gaan een uitje. Het is wél erg als de winkel dicht gaat, wilde ik roepen. Hoe moet het dan met mij, wilde ik smeken. Maar ik bleef stil.

Nu, een week later, na een wandeling van 8000 stappen, drentel ik rond voor de winkel die gelukkig nog open is. Voor de gevel staan bakjes blauwe en witte druifjes en andere bolletjes. Ik bewonder de groene bak met dikke gele narcissen. Een dubbele bos tulpen, die ga ik kopen. Voor mezelf.

Tussen de karren met uitgestalde waar staan mensen te praten. Op ruim anderhalve meter van elkaar. Toegestaan en kennelijk nodig om elkaar niet te besmetten. Een man met een geel hesje. Misschien is hij van een hulpdienst, of wil hij gewoon goed zichtbaar zijn, denk ik. De vrouw is een stuk kleiner. Oude jas, afgetrapte schoenen. Hij praat, zij luistert. Aandachtig, hoofd in de nek, blik strak op hem gericht. Coronacrisis, niet meer belangrijk wat je aan hebt, vermoed ik.
Ik twijfel. Is dit de plek waar ze elkaar toevallig tegenkwamen of wachten ze op hun beurt? Ze reageren niet op wat ik non-verbaal probeer uit te stralen. Ik wil contact. Als dat uitblijft trek ik de conclusie dat ze elkaar hier gewoon hebben ontmoet en nu een praatje maken.
‘Maximaal 1 klant in de winkel,’ staat er op een briefje. Handgeschreven, op de toegangsdeur van het oude winkelpand. Nieuwe maatregel. Ik gluur naar binnen. Ik zie niks door het raam, een volle etalage. Niemand in de winkel, schat ik in. Ik leg de hand op de deurknop. Duw hem naar beneden. Een ratelend geluid.

‘Mevrouw’, de geïrriteerde stem komt uit het vreemde gele hesje.
‘Er is iemand in de winkel en wij staan ook te wachten.’ Nu reageert hij wel.
‘Dat kon ik niet weten,’ verdedig ik mezelf. Een reactie op de paniek en verontwaardiging in zijn stem. Hij haalt zijn schouders op. Keert om naar de vrouw en praat door. Dan gaat de deur open. De klant die binnen was. Prachtige gekleurde bloemen. Achter haar aan loopt de bloemist. We wijken uiteen. Afstand, meer dan nodig. Het gele hesje schuift naar binnen.
‘Het valt niet mee,’ verzucht de vrouw die deze mooie zaak bezit. Buiten klinkt haar anders zo opgewekte stem zwaar. Van haar ken ik de uitdrukking ‘dikke prima’. Die woorden neemt ze vandaag niet in de mond.
‘Pfff, druk,’ ze richt zich tot mij. ‘Veel boze mensen.’ De altijd positieve vrouw klinkt gekwetst.
‘Boos omdat ze buiten moeten wachten, omdat er maar één persoon tegelijk naar binnen mag, omdat bepaalde bloemen niet leverbaar zijn.’ Ik zie de rimpels in haar gezicht, haar blik naar beneden.

Gek toch, denk ik. Dat mensen hun angst en ongenoegen afreageren op anderen. Ik heb met haar te doen.
‘Ach, ze zijn boos op de hele wereld,’ reageer ik. ‘Ze waren vast al boos voor ze bij jou in de winkel kwamen’. Ze zucht nog een keer. Knikt.
Als ik uiteindelijk met een grote bos rode en roze tulpen naar huis loop, maak ik in mijn hoofd het lijstje ‘boos’ af. Boos op het virus, boos op de regering, boos op de maatregelen, boos op anderen die besmettelijk zijn, boos dat hun leven in de war is, boos op de bloemenwinkel waar een briefje op de deur hangt. Ja, denk ik, ze waren al boos. Boos op de hele wereld.

Bloemen kopen, het heeft me goed gedaan. Maar het valt niet mee, de situatie waar we ons met z’n allen in bevinden. Helemaal geen ‘dikke prima’. Ik moet er erg aan wennen.