Zwaarbeladen

Aiaiai, denk ik als ik het bericht van de telefoniste lees. Energie stroomt door mijn lijf, een beetje groter voel ik me. Een nieuwe opdrachtgever. Ik google de organisatie die belde en op zoek is naar een vertrouwenspersoon. Op een presenteerblaadje lijkt het. Een grote zorginstelling in Oost-Groningen, precies waar ik van houd. Zin in!

Ik kwam niet op het idee te denken aan hoe ik eraan toe was in het voorjaar. Het gekwakkel met mijn gezondheid, het overlijden van mijn moeder, te veel werk.  Ik dacht niet aan de gesprekken die ik voerde met een coach of aan de nieuwe koers die ik vervolgens was gaan varen. Ik nam afscheid van tien opdrachtgevers en van twee collega’s. Daardoor kreeg ik meer tijd voor sport, voor schrijven en vrienden. Ik had ervoor gezorgd dat ik klaar was voor de ouder wordende toekomst. Al drie vriendinnen met pensioen, 65 net als ik.  Waarom zou ik aan al die dingen denken? De dagen waren inmiddels langer geworden, de zon scheen uitbundig, de tuin was ontploft. Ik had zoals elke zomer, weinig werk en veel tijd voor leuke dingen. Superfit voelde ik me. Een nieuwe uitdaging? Waarom niet!

Het kwartje valt pas ruim een week later. Midden in de nacht word ik wakker uit een droom. Ik beweeg mijn voeten voorzichtig op het gele marmoleum, op weg naar de badkamer met de roze-blauwe tegelwand. Ik sla de net gedroomde beelden in me op om ze de volgende dag onder de loep te kunnen nemen.

In de droom rijd ik van Winschoten naar Delftzijl, in mijn ivoorkleurige Lancia Ypsilon. Van de ene mooie opdrachtgever naar de andere, zoals ik dat soms op werkdagen doe. NPO 1 op de radio. De geur van kaas, lunchen doe ik onderweg. Plotseling gaat er een lichtje branden in mijn hoofd. Het zwarte vestje dat ik draag, zou ik uit willen doen. Ik grijp naar de lichtgroene dopper. Over twee uur een afspraak in Noord-Holland. Vergeten. Met alles wat in me is, houd ik me vast aan het idee dat het me allemaal nog best gaat lukken.  De paniek negeer ik.

Het beeld verspringt, zoals dat in dromen kan. Ik ben met de fiets. Tassen aan het stuur. Een grote blauwe, en nog zeker zes gevulde plastic draagzakken in vrolijke kleuren. Jumbo, Praxis, Mediamarkt. Allemaal vol, met ik weet niet wat. Een groot pakket op de bagagedrager, vastgebonden met verweerde grijze spinnen. De gescheurde zwarte vuilniszakken er omheen wapperen en klapperen in de wind. Op het frame een grijze plunjezak, zoals we die vroeger hadden als we op vakantie gingen naar Terschelling. Mijn volgeladen vehikel doet niet onder voor die van de vrouw die in de bosjes onder de decenniaoude Plataan in het Julianaparkje woont, op de hoek van mijn straat.

Dan wisselt het decor nog een keer. Ik ben in Groningen, met de zwaarbeladen fiets. In een oude kroeg dicht bij het station, ontmoet ik Alie. Geen idee waar ik haar van ken. We zitten elk achter een dampend kopje thee. Ze maakt het pakje open dat ik voor haar heb meegebracht. Er zitten twee kleine objecten in van helderrood, geel en kobaltblauw glas. Het ronde is kapot, klem gezeten tussen alle spullen die ik met me meezeul. Het andere, langwerpige, is nog heel. Mij kunnen die scherven niks schelen maar Alie buigt zich over dat wat ze net uitpakte, rimpels op haar voorhoofd. Met haar kunstenaarshanden raakt ze de scherven voorzichtig aan, kijkt of er nog wat te lijmen valt. Als ze me aankijkt zie ik het in haar ogen. De grijze ergernis in haar borst smeert zich uit, tot in mijn lichaam, als een olievlek in zee.  Wat zo zorgeloos was in mij wordt verdreven.

Natuurlijk had ik kort na het telefoonbericht van de prospect geaarzeld. Ik had niet direct teruggebeld. Ik zocht naar een uitweg, zoals ik dat in mijn droom gedaan had met de vergeten afspraak in Noord-Holland. Dus had ik mijn dilemma, voordat ik ging slapen, als een vraag de kosmos in geslingerd. Ik had met mijn hart een ontvangend gebaar gemaakt. Met mijn droom kreeg ik een antwoord dat ik moeilijk kon negeren.

Genoeg aan mijn fiets hangen, ik kan het nu al nauwelijks dragen. Nog meer rondrijden in Oost-Groningen, terwijl ik niet van autorijden houd. Nog meer geven terwijl de helft van wat ik schenk nu al gebroken is. Minder ruimte voor de dingen die ik fijn vind. Dus! Daarom zeg ik nee tegen de vrouw die vraagt of ik voor hun kom werken. Nee, geen ruimte aan mijn stuur, niet op mijn doorgezakte bagagedrager.

‘Ach, het is maar een heel klein tasje.’ Ik hoor het haar zeggen. Even voel ik twijfel maar ik zwicht niet. Goed gedaan, denk ik. En toch, in mijn maag voelt het alsof ik net gehoord heb dat al mijn buren veel geld hebben gewonnen in de postcodeloterij waaraan ik niet heb meegedaan. Tegelijk voel ik mijn rug. Alsof ik ook de volgepakte rugzak die ik twee maanden op had omdat ik een voettocht deed, heb afgedaan. In mijn lichaam voel ik misselijkheid, spijt, opluchting, gemis en ruimte.  Heb ik weer. Veel verschillende dingen aan mijn stuur hangen. Emoties dit keer. Geeft niks, denk ik. Mijn fiets is veel gewend.