De coassistent (hoe Logosynthese werkt)

‘Soms ben ik zo gestrest.’ Terwijl ze praat kijkt de jonge vrouw die tegenover me zit naar het grijze tapijt onder haar voeten. Het is het vijfde coachgesprek.

‘Dan ga ik maar door. Ik kan niet meer stoppen,’ zegt ze. Ze is specialist in het ziekenhuis. Als ze na een lange dienst thuiskomt, gaat ze in hetzelfde tempo door met de klusjes in huis, en met de activiteiten met de kinderen. Haar handelingen lijken mechanisch, alsof ze er zelf niet bij is. ‘Soms springt mijn man voor me.’ Ze doet voor hoe hij haar dan bij de bovenarmen pakt en heen en weer schudt. ‘En nou stoppen, roept hij dan.’

‘Wat voel je, als je zo jaagt?’ vraag ik. Het is alsof ook ik haar even heb stilgezet. Dan brent ze beide handen naar haar keel en klemt haar vingers eromheen.
‘Het voelt dan als kramp,’ zegt ze.
‘Hoe belastend is die kramp, op een schaal van nul tot tien?’ zeg ik. Nul betekent dat ze geen last ervaart. Tien is een maximale belasting.
‘Een negen,’ zegt ze.
‘Waar ken je dit gevoel van?’ Ze blijft even stil, gaat terug in de tijd.
‘Ik deed mijn coschappen,’ zegt ze. Net als bij de meeste specialisten was haar opleiding pittig.
‘Mijn opleider vroeg te veel van mij maar ook van anderen.’ Het gebeurde regelmatig dat ze 48 of meer uren achter elkaar moest werken.
‘Welk beeld hoort daarbij?’ Ze sluit haar ogen.
‘Ik zie mezelf, ik zie hem, de apparatuur, een bed,’ zegt ze. Dat is voldoende. Ik zeg de logosynthese-zinnen* in korte stukjes; zij zegt ze na. Het beeld waarin ze met haar opleider aan het werk is, komt er steeds in voor. Ze neemt de tijd, zucht na de zinnen.
‘Ik ging gewoon door. Zonder nadenken.’ Het was alsof ze zichzelf uitschakelde, haar gevoel negeerde. Alleen dan kon ze het volhouden.
‘Het leek normaal toen,’ zegt ze. Haar blik is naar binnen gekeerd; daar speelt zich haar verleden af. ‘Ik wou, dat ik niet door hoefde te werken.’ Ik zie tranen, kan haar bijna niet meer verstaan.
‘Ik neem al mijn energie…’ zeg ik. Ik geef haar het begin van de eerste zin met de bedoeling dat ze die nazegt. Ze schudt haar hoofd. Praten lukt niet. Dus zeg ik de zin in haar plaats: ‘Ik neem al mijn energie, die vastzit in de wens dat ik niet door hoefde te werken, terug naar de juiste plek in mezelf.’ Het snikken gaat door, wordt eerst meer en neemt dan af. Als ik ook de tweede zin wil zeggen, in haar plaats, pakt ze die als vanzelf op en zegt hem na.
Na de derde zin leunt ze achterover in haar stoel; ze zucht diep en kijkt dan om zich heen. Ze zoekt naar het prullenbakje om het verfrommelde zakdoekje dat ze in haar hand heeft, in te gooien. ‘Het was zo eenzaam,’ zegt ze. Soms, op weg naar huis, zette ze de auto langs de kant en vroeg ze zich af of ze nog verder wilde. Ze zegt dat ze dat bijna vergeten was; ze heeft het daar nog nooit met iemand over gehad.
‘Ik wilde slagen,’ zegt ze. Ze was jong. Hij was een grote, forse man met veel ervaring en aanzien in het ziekenhuis. ‘Ik voel me zo opgelucht,’ zegt ze aan het eind van ons gesprek. ‘Straks thuis ga ik eerst even rustig zitten.’ Ze staat op en verlaat mijn kantoor met een glimlach.

Naschrift:
Dit is een voorbeeld van hoe logosynthese kan gaan, het is slechts een klein deel van het coachgesprek.

Bij Logosynthese zoeken we naar beelden, overtuigingen of wensen. Dan volgen (meestal) drie zinnen, waarvan het middendeel is aangepast aan dat wat de cliƫnt naar voren brengt.

– Ik neem al mijn energie, die vastzit in het beeld dat ik met mijn opleider aan het werk ben, en stuur die terug naar de juiste plek in mezelf.
– Ik verwijder alle energie die niet van mij is, in samenhang met het beeld dat ik met mijn opleider aan het werk ben, uit al mijn cellen, uit al mijn lichamen, uit heel mijn persoonlijke ruimte en stuur die naar de plek waar die werkelijk thuishoort.
– Ik neem al mijn energie, die vastzit in al mijn reacties op het beeld dat ik met mijn opleider aan het werk ben, en stuur die terug naar de juiste plek in mezelf.

Dezelfde zinnen gebruiken we ook bij de wens. Dan is het middendeel: ‘de wens dat ik niet door hoefde te werken.’